Columns
10 maart 2026

Monte-Carlo of Parijs: waar klopt het hart van het circus nog écht? (Parijse Week 2026)

Door 4 min leestijd • 10 maart 2026

Het circusfestival der circusfestivals is natuurlijk het Festival International du Cirque de Monte-Carlo. Toch? Dat dacht ik jarenlang ook. Tot nu.

Monte-Carlo is een instituut. Bijna vijftig jaar geschiedenis. Koninklijke steun. Kersttelevisie. Voor velen – ook voor mij – pure nostalgie. Met Kerstmis is het festival al tientallen jaren op tv (en daar kijken in Nederland jaarlijks meer dan een miljoen mensen naar). Vroeger namen we het thuis op videoband of dvd op. Zo kon het kerstdiner gewoon doorgaan en keken we na het eten (+de weken daarna) met gekamde haartjes alle toffe acts van het festival.

Dit was het hoogste podium dat een circusartiest kon bereiken. Monte-Carlo wás de droom; dat voelde je bij elke artiest die er speelde.

Maar de vraag is niet wat het was.
De vraag is: wat is het nu?

Prestige is geen synoniem voor relevantie

Editie 48 kende zonder twijfel indrukwekkende momenten. Troupe de Suining – terecht goud. Yves & Ambra – zilver, wereldklasse.

Maar tegelijkertijd bleef er iets knagen.

Hoe kan het dat een fenomenale hand-to-hand act als Alex & Liza geen prijs krijgt? Niet eens een aanzet tot Brons.
Hoe kan een wereldwijd unieke duivenact van Andrejs Fjodorovs buiten de prijzen vallen? Geen Brons of Zilver voor deze topartiest.
Hoe kan een Nederlandse maker als Daniel Simu, die als enige ter wereld een robot als acrobatiekpartner inzet, niet eens met een Bronzen Clown naar huis gaan?

Dat zijn geen kleine acts. Dat zijn voorbeelden van artistieke durf en innovatie. Wanneer een festival zichzelf positioneert als hét wereldkampioenschap van het circus, mag je verwachten dat uniciteit zwaar weegt.

En juist daar wringt het.

Traditie of stilstand?

Monte-Carlo eert traditie. Dat is een kracht.

Maar traditie mag geen automatisme worden.

Neem bijvoorbeeld quick change-artiest Martyn Chabry – een artieste die al in 2005 op het festival stond. Haar aanwezigheid voelt als een eerbetoon aan het verleden. Maar als een act in twintig jaar nauwelijks evolueert, is de vraag gerechtvaardigd of dit het podium is om dat te blijven herhalen. En dat terwijl er in de wereld van kledingillusies met acts als die van Léa Kyle, Solange Kardinaly en Natalia Bouglione (lees meer over haar in dit Parijse Week-artikel) waanzinnig ontwikkelingen plaatsvinden

Ook in de wereld van clowns en comedians is er waanzinnig veel talent. Naast mijn activiteiten voor Circusweb stel ik onder andere programma’s voor circussen en straattheaters samen. Vooral in de wereld van buitentheater/straattheater zie ik waanzinnig veel komisch talent. Artiesten waarbij ik vaak denk: je moet ook iets in het circus gaan doen.

En dan kijk ik naar de Toni Alexis Clowns bij het festival in Monte Carlo. Ongetwijfeld vakmensen met een lange staat van dienst. Maar als een act al meerdere keren op hetzelfde festival heeft gestaan en in vijftig jaar inhoudelijk nauwelijks verandert, wordt het moeilijk om dat nog als competitie te zien. Een jubileum vieren (wat de groep deed) is prachtig. Maar moet dat op het belangrijkste circusfestival ter wereld?

Wanneer goud schuurt

Een van de meest besproken momenten van editie 48 was de toekenning van een Gouden Clown aan Angelina Richter met haar Hongaarse Post.

Leg die uitvoering eens naast de stijlvolle en klassieke Hongaarse Post van Maud Gruss. Waar bij Gruss harmonie, elegantie en controle centraal staan, voelde de uitvoering van Richter voor velen hysterisch en geforceerd. Een enorm gehannes met zwepen, een artieste waar weinig speelplezier van afstraalt en een aantal hulpjes die in de piste meelopen om de paarden te begeleiden. Meer spanning dan verfijning.

Dat is geen aanval op de artieste. Dat is een vraag over beoordelingscriteria. Want wat wordt hier precies beloond? Technische moeilijkheid? Familie-erfgoed? Productiewaarde? Of artistieke kwaliteit?

Een etalage of een competitie?

Monte-Carlo voelt steeds vaker als een etalage van gevestigde namen en invloedrijke circusfamilies. Dat is begrijpelijk. Het circus is historisch een familiecultuur. Netwerken zijn sterk. Maar een competitie moet boven netwerken uitstijgen.

Wanneer juryleden, organisatoren en artiesten elkaar al decennia kennen, ontstaat er onvermijdelijk een bepaalde smaak. Een bepaalde voorkeur. Een bepaalde richting. Dat is menselijk. Maar is het nog objectief?

En dan Parijs

Ongeveer in dezelfde periode als die van het festival in Monte Carlo vond in Parijs het Cirque de Demain plaats.

Geen koninklijke allure. Geen kersttelevisie. Geen vijftig jaar historie.

Maar wel: honger. Vernieuwing. Competitie.

Ik kende vrijwel geen enkele artiest vooraf. En juist dat was verfrissend. Op het podium stonden makers die iets wilden bewijzen. Die iets nieuws brachten. Die risico namen.

In Parijs stond niet het netwerk centraal.
Niet het familie-erfgoed.
Niet het verleden.

De artiest stond centraal.

En dat voelde als toekomst.

Monte-Carlo vertegenwoordigt prestige, traditie en erkenning.
Parijs vertegenwoordigt beweging, risico en ontwikkeling.

Beide hebben waarde.

Maar als je mij vraagt waar het circus in 2026 pulseert, waar het ademt, waar het durft… dan was dat niet in Monaco.

Het was in Parijs bij Cirque de Demain.

De echte vraag

Monte-Carlo blijft iconisch. Dat verandert niet. Maar iconisch zijn is niet hetzelfde als toonaangevend zijn. Een festival kan leven op zijn reputatie of het kan bouwen aan zijn relevantie.

De vraag is niet of Monte-Carlo belangrijk is.
De vraag is of het nog de richting bepaalt.

Of volgt…

Het circus verdient festivals die risico nemen.
Die vernieuwers belonen.
Die competitie boven comfort stellen.

Monte-Carlo gaf het circus een gouden tijdperk.
Maar misschien… ligt het volgende tijdperk in Parijs…