Columns
18 oktober 2026

‘Voorwaarts en niet vergeten’ | Column nummer 129

Door 7 min leestijd • 18 oktober 2026

Ha. Ha. Ha. Ik lach me kapot.

Een circus zonder clowns is natuurlijk zoiets als een haring zonder uitjes of een politicus die de waarheid spreekt: het kán wel bestaan, maar er ontbreekt toch iets wezenlijks.
Toch zou ik er persoonlijk geen enkel bezwaar tegen hebben wanneer menig circus de hoeveelheid clownesk gesukkel eens kritisch tegen het licht zou houden. Want laten we wel wezen: niet iedere artiest die een rode neus opzet, beschikt daarmee automatisch over het vermogen om een publiek de slappe lach te bezorgen.

Soms heb ik aanzienlijk meer plezier van mijn buurman die twintig minuten lang probeert zijn stokoude Zündapp aan de praat te krijgen.
Daar zit tenminste nog een zekere tragiek in, gecombineerd met een oprechte wanhoop, die menig professionele clown niet eens met drie acts en een emmer confetti weet te evenaren.

En dan heb ik het nog niet eens over mijn eigen huiselijke amusement.
Wanneer mijn vrouw op een regenachtige zondagmorgen, gewapend met een vuilniszak en een humeur dat kennelijk nog niet volledig is opgestart, de kliko naar de straat brengt, kan ik daar vanuit mijn behaaglijk warme woonkamer eveneens bijzonder van genieten.
Ja, beste mensen, Bormpie heeft een oprijlaan van veertig meter.
Dat schept nu eenmaal mogelijkheden die voor de gemiddelde rijtjeshuisbewoner helaas buiten bereik blijven.

Maar goed, terug naar de clowns.

Waarom zijn sommige artiesten die beroepsmatig anderen aan het lachen proberen te maken, buiten de piste toch best vaak het tegenovergestelde van leuk gezelschap?
Ik heb Jimmy Folco ooit drie kinderen naast de tent zien afblaffen en voor zover ik mij kan herinneren, stond dat niet in het programma vermeld.
Ook schijnen er onder circusartiesten maar weinigen te zijn die onmiddellijk enthousiast worden wanneer de mogelijkheid zich voordoet om naast Toni Alexis te bivakkeren op het circusterrein.
Hij schijnt altijd wel iets te kunnen vinden om te zeiken.
Uiteraard moet ik hierbij de journalistieke voorzichtigheid betrachten: ik baseer mij op wat mij ter ore is gekomen en pretendeer niet dat ik iedere betreffende artiest persoonlijk op zijn humeur heb onderzocht.

Maar het beeld dat zich soms opdringt, is op zijn minst opmerkelijk.
En het verschijnsel beperkt zich bepaald niet tot de circuswereld.
Ook in de Nederlandse theater- en televisiewereld is het geen onbekend fenomeen dat komieken die op het podium de ene na de andere lachsalvo veroorzaken, privé niet altijd de wandelende gezelligheidsfabrieken zijn waarvoor het publiek hen houdt.
Johnny Kraaijkamp, Piet Bambergen en Joop Doderer zijn namen die bij menigeen onmiddellijk associaties oproepen met humor.

Maar wie denkt dat iemand die op het toneel voortdurend de lachers op zijn hand heeft, thuis automatisch de ene na de andere grap uit zijn mouw schudt, zou weleens bedrogen kunnen uitkomen.
De werkelijkheid is nu eenmaal geen klucht, al doen sommige mensen daar buitenshuis wel hun uiterste best voor.
Dat laatste heb ik ooit aan den lijve mogen ondervinden toen ik nog woonde in het mooiste dorp van Noord-Holland: De Rijp.
Piet Bambergen woonde daar eveneens. Naast zijn werkzaamheden als professioneel leverancier van onderbroekenlol vervulde hij er ook de functie van havenmeester.
Dat leverde een interessante combinatie op.

Laten we het erop houden dat niet iedereen in het dorp hem op handen droeg. Sterker nog, er waren mensen die hem liever zagen gaan dan komen.
Dat moet voor een komiek toch een merkwaardige gewaarwording zijn.
Je verdient je brood met het opwekken van vrolijkheid, maar zodra je buiten de schijnwerpers treedt, blijkt niet iedereen bereid om ook privé voor jou te applaudisseren.

Waarom zijn sommige artiesten die beroepsmatig leven van humor, in het dagelijks leven toch zo’n enorme kwallen?
En laten we vooral niet doen alsof ik zelf het toonbeeld van permanente opgewektheid ben.
Integendeel!

Ik ben buiten de deur regelmatig een bijzonder aangenaam mens, althans, dat beeld probeer ik met enige overtuiging in stand te houden.
In het café een spetter, thuis een etter.
Het is een talent dat niet iedereen beheerst.
Maar deze keer had ik werkelijk een reden om enigszins ontstemd te raken.

Onlangs bezocht ik een van de grootste Pasar Malams van Nederland, in Expo Haarlemmermeer te Vijfhuizen.
Een indrukwekkend evenement waar gedurende drie dagen naar schatting zo’n 30.000 bezoekers op afkomen, voornamelijk afkomstig uit de wijde omgeving.
Dat zijn er nogal wat: een vol voetbalstadion.
En laat nu precies op diezelfde locatie binnenkort Alberto Althoff met zijn wintercircus neerstrijken.
Bij mij begon toen onmiddellijk het ondernemershart te kloppen.
Niet dat ik nog over een ondernemershart beschik dat bij iedere commerciële mogelijkheid spontaan een vreugdedansje maakt, maar mijn hersenen functioneren gelukkig nog naar behoren.
Ik dacht namelijk: daar moet toch ergens een standje staan waar bezoekers alvast circuskaartjes kunnen kopen?
Of op zijn minst een tafeltje waar ze een folder kunnen meenemen, zodat ze thuis nog eens rustig kunnen bekijken welk spektakel hun straks te wachten staat?

Want zeg nou zelf: 30.000 bezoekers op dezelfde locatie waar je binnenkort met je voorstellingen komt?
Hoeveel mooier wil je het als ondernemer opgediend krijgen?
Je hoeft er geen afgestudeerde marketinggoeroe voor te zijn om te begrijpen dat hier kansen liggen.
Maar nee hoor.
Geen standje, geen verkooptafel en, voor zover ik heb kunnen constateren, geen zichtbare poging om deze enorme stroom bezoekers alvast warm te maken voor het circus.

Ook de concurrent, die op slechts zes kilometer afstand zijn tenten opslaat, leek deze mogelijkheid niet met beide handen te hebben aangegrepen.
En daar sta ik dan toch een beetje van te kijken.
Het verbaast mij dat zulke voor de hand liggende commerciële mogelijkheden soms onbenut blijven.
Ondernemen is niet uitsluitend het organiseren van je show.
Het is ook het actief opzoeken van de mensen die bereid zouden kunnen zijn ervoor te betalen.
Je kunt nog zo’n prachtige voorstelling aanbieden, maar wanneer niemand weet dat je er bent, blijft het enthousiasme beperkt tot de artiesten zelf.

Een stand met twee mooie dames op dergelijke evenementen kost veel minder dan de peperdure gesponsorde Facebook-advertenties waar je mee wordt doodgegooid.
En nee, ik beweer niet dat iedere uitgedeelde folder automatisch in een verkocht kaartje verandert.
Zo naïef ben ik nu ook weer niet.
Maar wanneer je met relatief beperkte middelen duizenden mensen kunt bereiken die zich op dat moment letterlijk op jouw toekomstige speelterrein bevinden, lijkt het mij op zijn minst verstandig om die mogelijkheid serieus te nemen.
Je hoeft de mensen niet eens naar een andere locatie te lokken.
Ze zijn er al!
Het enige wat je nog hoeft te doen, is ze op het bestaan van jouw circus attenderen en ze een goede reden geven om ervoor terug te komen.

En wie nu denkt dat ik uitsluitend vanuit een theoretisch luie stoel zit te roepen hoe anderen hun bedrijf moeten runnen, heeft nog een verrassing tegoed.
In november wordt op diezelfde locatie namelijk een megagrote vlooienmarkt georganiseerd. Voor ongeveer honderd euro kun je daar twee dagen met een stand staan.
Voor dat bedrag kun je tegenwoordig met twee personen nauwelijks uit eten.
En wat krijg je voor die honderd euro bij de vlooienmarkt?
Twee dagen de gelegenheid om in contact te komen met mensen die speciaal naar die locatie komen om rond te kijken, iets te kopen en zich te laten verrassen.
Natuurlijk is een vlooienmarkt geen Pasar Malam en is een circus geen tweedehandswinkel.
Iedere situatie vraagt om een eigen aanpak.
Maar het principe blijft hetzelfde: waar mensen samenkomen, ontstaan mogelijkheden om je product onder de aandacht te brengen.

Je hoeft niet iedere gelegenheid te benutten, maar je moet ze op zijn minst herkennen.
En precies daar wringt voor mij de schoen.
Sommige ondernemers investeren duizenden euro’s in reclamecampagnes, advertenties en allerlei ingewikkelde marketingconstructies, terwijl ze ondertussen een evenement met tienduizenden bezoekers aan zich voorbij laten gaan.
Wanneer ik zie hoeveel moeite sommige circusondernemers hebben om hun tribunes gevuld te krijgen, vraag ik mij toch af of ze voldoende gebruikmaken van de mogelijkheden die letterlijk voor hun neus liggen.
Want een volle circustent begint niet noodzakelijk met een aanbieding op internet.

Soms begint die gewoon bij een tafeltje, een stapel folders en iemand die bereid is de bezoekers vriendelijk aan te spreken.
En als dat allemaal te ingewikkeld wordt, heb ik nog wel een ander idee.
Misschien moet ik binnenkort maar eens een cursus gaan organiseren.

De titel heb ik alvast bedacht:
Hoe herken ik een potentiële klant voordat hij alweer thuis zit?
De praktijkopdracht is eenvoudig: ga ergens staan waar 30.000 mensen langskomen en vraag jezelf af hoeveel daarvan mogelijk belangstelling hebben voor jouw product.
Maar goed, wie ben ik om daar iets van te zeggen?
Ik ben tenslotte maar Bormpie, de man die in het café een spetter is en thuis een etter, en die zijn vrouw vanaf een afstand van veertig meter naar de kliko ziet lopen.
Alleen heb ik inmiddels wel geleerd dat je, wanneer je iets wilt verkopen, beter zelf op mensen af kunt stappen dan te hopen dat ze toevallig bij je voordeur aanbellen.

Tot de volgende keer!